jump to navigation

Naar de oorsprong van de zon

 

Na een jaar lang voorbereidingen treffen en uitkijken naar wat destijds ‘de reis van mijn leven’ heette, kon ik eindelijk voor de allereerste keer in mijn leven in een vliegtuig kruipen en naar het mysterieuze Japan reizen. Een droom werd werkelijkheid … en achteraf bekeken, spijt het me zeker niet dat ik aan deze trip een behoorlijke hoeveelheid van mijn zuurverdiende spaarcenten heb gespendeerd. Het land is écht de moeite waard om bezocht te worden.

Japan is een land van extremen. Je vindt er prachtige tempelcomplexen temidden van uitgestrekte bossen in de bergen, maar tevens overvolle, neonverlichte grootsteden waar de mensen als ijverige mieren het sociale leven vormgeven. Authentieke traditie en steeds voortschrijdende moderniteit gaan er hand in hand. Hoe westers het uiterlijk van Japan ook mag lijken, de ziel van dit land is dit allerminst. Deze op het eerste zicht paradoxale kenmerken maken van Japan een fascinerende cocktail, een mix van aangename verrassingen die je steeds weer blijven verbazen. Het staat nu al vast dat ik ooit zal teruggaan, zij het dat dit nog wel enkele jaren zal duren. Want aan Japan is één groot nadeel verbonden: het is er stikduur! Budgetreizen was voor mij dus een prioriteit. Met een goed gevulde rugzak, een aantal plaatselijke kennissen en een lidkaart van de internationale jeugdherbergenfederatie kom je al een heel eind zonder je financiële broek te scheuren. Voor de geïnteresseerden en voor de gein: ‘Paklijst Japan‘.

Ik zou uren, zelfs dagen, kunnen vertellen en schrijven over de fascinerende tocht die ik ginds heb gemaakt. Om mijn mooie herinneringen niet verloren te laten gaan heb ik ter plaatse ongeveer een 2000 foto’s genomen en een dagboek bijgehouden. Enkele maanden geleden ben ik begonnen om dit handgeschreven werk op mijn pc te verwerken. Voorlopig kan je hier al de verslagen van de eerste paar dagen van mijn zwerftocht door ‘het Land van de Opgaande Zon’ nalezen. Hopelijk zal ik deze binnenkort kunnen aanvullen met de rest van mijn notities. Alles begint op een mistige lentemorgen in een huis op de Kempense zandgrond…

Vlucht Amsterdam-Kuala Lumpur (26 maart 2005)
Spannend, die eerste vlucht. ’s Morgens was het daarentegen iets minder spannend. Om 04.30u uit de veren en daags voordien veel te laat gaan slapen wegens nog teveel voorbereidingswerk: een dodelijke combinatie. Uiteindelijk zijn we dan toch op de baan richting Schiphol geraakt. De Hollandse wegen waren gehuld in een dikke laag mist, waardoor bij mij direct de (terechte?) bezorgdheid ontstond of vliegtuigen in deze omstandigheden wel zouden opstijgen. Ja dus! Na afhandeling van alle formaliteiten (die in totaal toch wel enkele uren in beslag namen) en het pijnlijke afscheid, begaf ik me naar de juiste gate voor mijn langverwachte luchtdoop. Na een kwartiertje wachten, mochten we in ‘onze’ Boeing 747 (zo met een bult van voor) plaatsnemen. Enkele niet onknappe Maleisische stewardessen, gehuld in een even niet onknappe lange jurk met een Aziatisch motief en een appelblauw-zeegroene hoofdtint, verwelkomden de passagiers en gaven goede hoop om meer van dat soort vrouwvolk te zien in Maleisië. Iets wat, eens in Kuala Lumpur aangekomen, wel even tegensloeg… Eerlijk gezegd was ik wel een beetje bang, zeker toen het gevaarte met een goede 300km/u door de Midden-Hollandse mist schoot en plots vaste voet aan grond verloor. Eens hoog en droog in de atmosfeer, verliep alles naar wens. Op een paar details na, was het een rustige vlucht, vrij van al te veel turbulentie. Even de vliegroute in vogelvlucht: Amsterdam – Münster – Magdeburg – Berlijn – Warschau – Kiev – Dnipropetrovsk – Grozny – Kaspische Zee – beetje Kazachstan – Turkmenistan – Kabul en Afghanistan – Lahore en Pakistan – Delhi en rest van India – Golf van Bengalen (die van de tsunami) – Andamanen – Phuket (Thailand) – Langkawi Eiland – Penang – Kuala Lumpur. Een hele trip doorheen het Midden-Oosten. Weinig opmerkingen hier over, behalve:

Zoals ik dus zei, was het een uiterst aangename vlucht: lekker eten, privé-TV, dekentje, kussentje en ongeveer een dikke tachtig centimeter beenruimte. Toch enkele puntjes van kritiek:

Steven zet zijn eerste stapjes op Aziatische ondergrond om 06.20u plaatselijke tijd op 27 maart van het jaar 2005 des Heren. Dat men het notere!

Kuala Lumpur (27 maart 2005)
Door de gate wandelend betrad ik het hypermoderne luchthavengebouw van Kuala Lumpur. Het leek enkel wat leeg: weinig mensen, weinig beweging, maar dat schrijven we maar toe aan het vroege ochtenduur. Hoewel ik enkel in Maleisië was voor een transit, besloot ik toch om me een dagje buiten de transitzone te begeven en een kijkje te nemen in Kuala Lumpur-stad. Nog niet voorbij de douane werd ik al met de malende bureaucratie geconfronteerd die ook Maleisië niet vreemd blijkt te zijn. Na lang aan te schuiven voor de loketten van de douane, kwam ik eindelijk aan de beurt. Nu bleek dat ik zonder ‘Alien Registration Card’ niet het land in mocht. Die dingen werden blijkbaar al op het vliegtuig uitgedeeld en ik had er dus geen. Ik kreeg het al op mijn zenuwen: moest ik nu een ganse dag op een bankje liggen niksen, slapen of iets anders doen? Gelukkig kon de douanier me op één of andere manier duidelijk maken dat de formulieren hier ook nog voorradig waren, waardoor ik uiteindelijk na twee pogingen toch voorbij de douane geraakte. Ik begaf me naar de arrival hall, alwaar ik plots het doelwit leek te zijn van een stuk of wat hyperactieve taxichauffeurs en hotelmedewerkers met de vraag of ik wel niet gebruik zou kunnen maken van hun aangeboden diensten. Ik scheepte hen telkens kordaat maar met een vriendelijke Europese glimlach af. Ik had andere dingen te doen, dingen zoals uitzoeken waar ik op het einde van de dag allemaal zou moeten passeren om legaal en zonder kleerscheuren op het vliegtuig richting Ôsaka te geraken. Nadat ik alles had uitgevist, wat geen sinecure is in het gigantische luchthavenpaleis van Kuala Lumpur, werd ik als ware het een goddelijke interventie aangesproken door een man die dagtrips door de stad organiseerde. Dit was tevens mijn vooropgesteld plan en dus liet ik mij gewillig meevoeren tot aan ’s mans infobalie, alwaar deze vriendelijke meneer mij de te betalen onkosten voorlegde. “Neen, dank u, ik zal wel op mezelf de stad verkennen…”. Achteraf bleek dit een goede keuze, want ik heb dingen gezien en meegemaakt die je van achter het ongekuiste glas van de toeristenbus nooit gezien zou hebben.

Met de ‘KLIA-Ekspres’ spoorde ik gedurende achtentwintig minuten in een hypermodern treintje langs palmbomen, palmbomen, palmbomen en … palmbomen naar het niet-centrale Centraal Station van Kuala Lumpur. Moe van de lange vlucht en de opdringerige taxichauffeurs, dood van de honger en nat van het zweet, eet ik eerst de helft van mijn geplette Kempische koffiewafels op en leg me daarna onder de welluidende klanken van de muziek op de Maleisische radio op de bank te slapen voor vijf minuten. Ik moest en zou van het uitzicht (lees: palmbomen) genieten. Na een klein half uur sta ik daar dus in het Centraal Station. Nu zou je verwachten dat een Centraal Station centraal gelegen is. Niets van dat alles. Het échte stadscentrum is nog een paar kilometers verderop. Een helse taak om als kwetsbare voetganger dit traject af te leggen, zo bleek, waarbij op gevaar van eigen leven enkel overdrukke onoverkruisbare wegen dienden overgestoken te worden. Alsof de hele verkeersstructuur en het openbaar vervoer georganiseerd zijn naar de wens van de plaatselijke taxichauffeurs, die zich weer in horden aanbiedden om een rit te versieren. Gelukkig heb ik sterke beentjes en kan ik snel genoeg lopen om het moordende verkeer op de veel te drukke wegen professioneel te ontlopen. Tijdens mijn expeditie ontdek ik het nationaal museum, het planetarium, het politiemuseum en de nationale moskee, waar ik op kousenvoeten een binnenbezoekje bracht: groot, leeg, maar wel mooi. Vrouwen die de moskee willen bezoeken moeten trouwens een lang gewaad aan en een kapje opzetten. Na vierhonderdtachtig (Engels- of niet-Engelstalige) Maleisiërs en een koersbegeleider (ja, ook daar in de verzengende tropische hitte koersen de mensen. Gek? Absoluut!) om de weg te hebben gevraagd, ‘vind’ ik uiteindelijk het opperste gerechtshof, het ‘Sultan Abdul Samad-gebouw’, op Merdeka Square en de ‘Central Market’, waar ik naar op zoek was.

Het is nu ongeveer 10.00u in de voormiddag en de hitte en vochtigheid (ik schat respectievelijk 40°C en 80% of zo) beginnen hun tol te eisen. Na het lange stappen stroomt het zweet in buitenmaatse hoeveelheden van mijn ganse lichaam, behalve onder mijn oksels. Daar is het nog steeds kurkdroog (Dank u, Greet, voor de Axitrans-tip). De straat vol kleurige kleuren is gevuld met luierende en kuierende mensen. Plots spreekt een man mij aan. Zijn naam blijkt ‘Sam’ te zijn en hij heeft zijn nicht van ergens van voor in de twintig bij zich. Na enkele clichématige vragen te hebben gesteld, weet Sam mij te vertellen dat zijn zus volgende maand naar België reist om daar gedurende een jaar in een Brussels ziekenhuis te gaan werken. Ik geloof hem en vertel hem daarom wat over ons belgenlandje. Zijn zus zou het er heus niet slecht hebben, hoewel hij toch wel wat bezorgd leek. Zijn nicht zwijgt als was ze dood… Na enkele minuten neem ik afscheid van Sam en zijn nicht en ga de overdekt markt van ‘Central Market’ binnen. Ik struin wat rond tussen de typische kraampjes met souvenirs, traditioneel houtwerk en dito textiel, vreemde etenswaren en goedkoop uitziend kleinood. Ik ontdek er een stalletje met pareo’s, alwaar ik later op de dag, nadat ik het ‘hele’ Kuala Lumpurese straataanbod aanschouwd heb, een koopje doe. Na enkele onvruchtbare pogingen nog wat van de prijs af te dingen, is de sarong de mijne, een eerste souvenir.

Ik zet de stadsverkenning verder en geraak verzeild in de gezellige drukte van Chinatown. Een Chinese tempel ligt mysterieus verscholen achter de vele kraampjes met hun schreeuwende venters. Op het binnenplein van de tempel geraak ik lichtjes bedwelmd door de sterke geur van wierook. Vanop verscheidene plaatsen in de tempel wordt het scherpe aroma verspreid door wierookspiralen en –staafjes in grote gietijzeren potten met zand. Bij het buitengaan van de tempel passeer ik enkele bedelaars op zoek naar wat geld. Leunend tegen de karmijnrode tempelpoort kijken zij de voorbijgaande mensen aan. Via een straat vol kraampjes kom ik in wat men een ‘achterstraatje’ zou kunnen noemen: een donker steegje dat echter totaal niet verlaten is. Er heerst een typische drukte. Verkopers trachten er hun groenten, fruit, vis of gevogelte aan de man te brengen. Katten lopen ongegeneerd tussen de verse geslachte vleeswaren. De uitgestalde vis ligt zelden tot nooit op een bedje van ijs. Gekooide kippen worden vakkundig en in het zicht van de voorbijganger door hun eigenaar gekeeld en vervolgens op een hoopje in een houten ton gegooid. Ledematen liggen verspreid op de grond. Tot overmaat van ramp wordt er enkele tientallen meters verder eten bereid met deze ingrediënten. Zeer ‘typisch’ om te aanschouwen, maar iets minder hygiënisch, gok ik. Dit is Azië, jongens, dit is Azië…

Ik begeef me naar de ‘Masjid Jamek-moskee’, de oudste van de stad. Terwijl ik op het stadsplan sta te kijken, spreekt een jonge Maleisische vrouw mij aan met de vraag naar wat ik op zoek ben. Ze blijkt hier te staan wachten op haar vriendin die vijf minuten later arriveert. De vriendin spreekt een mondje Japans en samen proberen ze me uit te nodigen bij hen thuis om typisch Maleisisch te eten en kennis te maken met de zus van de vriendin. Deze zou namelijk volgende maand voor een jaar in een Belgisch ziekenhuis gaan werken… Ik probeer te weigeren, maar wil zeker beleefd blijven. Beide dames denken er echter anders over en duwen me bijna recht in de eerste taxi die passeert. Als laatste poging om te ontsnappen aan hun gastvrijheid, zeg ik dat ik geen geld heb om een taxi te betalen. De jonge vrouw zegt dat zij de rit wel zullen betalen, haar vriendin daarentegen neemt haar gsm en weet mij binnen de tien seconden te vertellen dat haar zus momenteel niet thuis blijkt te zijn. Bye bye dan maar, manoeuvre geslaagd. De moskee heb ik echter niet meer kunnen bezoeken.

Het middaguur is ondertussen reeds lang gepasseerd. Met een lege maag, maar vol goed moed vertrek ik te voet naar de Petronas-torens aan het andere eind van de stad. Onderweg neem ik nog even halt om een mooie foto te nemen van enkele winkelgevels. Ik word aangesproken door een man van middelbare leeftijd (‘Ida’ lijkt zijn naam te zijn). “Nice picture, yes?” “Yes, yes, I hope so!” “Where are you from?” “I come from Belgium!” “Oh, really? You should come to my house because my daughter is going to Bruss…” “I think I’d better go now! Have a nice day!” (Je leert hier echt wel op korte tijd hoe je mensen moet afwimpelen…) Nu dus in rechte lijn naar de Petronas-torens: de tocht bleek heet, lang, zweterig, pijnlijk en dorstig (ik ben twee maal moeten stoppen om een hele voorraad drinken in te slaan). Met op de achtergrond vreemde schreeuwgeluiden worstel ik me een weg doorheen stukjes tropisch regenwoud. Eens aan de torens aangekomen, zie ik een groep Maleisische dansers in typische klederdracht. Ik geloof dat ze een videoclip aan het opnemen zijn. Hier rust ik even uit, om me daarna, na even de torens binnen te gaan, weer te overtuigen om terug te keren naar het verre Centraal Station. Na zo’n twintig keer verloren te zijn gelopen, vijf kilometer om te stappen, m’n leven te riskeren in het moordende Kuala Lumpurese verkeer, in een stinkend (en verkeerd) station uit te rusten, vijf keer de weg te vragen (o.a. aan Zacharia, de politieman die me de weg uitlegde en daarna rustig door het rode licht overstak; ik volgde hem) en me te wapenen tegen een (lichte) tropische stortbui, kon ik eindelijk terug met de trein naar de luchthaven.

Was ik even blij om terug in het koele luchthavengebouw te belanden! Na lang wachten, me bij gebrek aan douches te wassen met de waterslang in een wc-hokje, nog wachten, een hallal Big-Mac, te vechten tegen de toeslaande vermoeidheid door veel Cola te drinken en verder nóg te wachten, mis ik m’n vlucht uiteindelijk niet en kan ik me al ronkend naar Japan laten vliegen. Blij dat ik de Maleisische stadsjungle overleefd heb, maak ik geluiden als ‘rrrrrrrrr’ en ‘zzzzzz’… De vlucht was, behalve wat “heavy turbulence, please fasten your seatbelts, thank you!” boven Okinawa, kalm te noemen.


Takakuradai, Suma-ku en Kwansei Gakuin (28 maart 2005)
Samen met mijn (afschuwelijk lelijke) Japanse buurvrouw krijg ik ’s morgens (= 4.00u) een Japans ontbijt voorgeschoteld, bestaande uit zalm, rijst, wortels en groene bonen. Dé domper op de vreugde was toch wel het verschijnen van een milde vorm van turista waardoor ik vlak voor de landing toch nog een halfuurtje op het on board-toilet mocht spenderen. Dit hoeft echter geen verdere uitleg, denk ik… Na de landing en het oppikken van de bagage, word ik als enige van twee volle vluchten uitgekozen door een zeg maar ‘prachtexemplaar’ van de Japanse ordediensten ter controle van mijn inboedel. Alles moest er aan geloven, alles moest ze weten. Zelfs de doos heilige Belgische pralines gaat open en door de X-rayscanner. Na een kwartier check-out, staan er minstens vier collega’s bij ons. Ze zijn namelijk te weten gekomen dat ik als braaf burger van het verre België een mondje Japans spreek. “Sugoi! Sugoi! Dou shite desu ka?” (“Prachtig! Prachtig! Hoe komt het?”) Uiteindelijk laten ze mij dan toch nog gaan. Ik neem vriendelijk afscheid en ga door de poort ‘Arrivals’ naar de hoofdhal van de luchthaven. M’n eerste waarneming van de Japanse buitenwereld was … vending machines!!! Na een paar uur wachten, komt Yuji me oppikken. We nemen de bus richting het station Kôbe-Sannomiya.

Na het leren werken met de ‘kippu’-machine (het ticketverkoopautomaat) nemen we via een ingewikkeld systeem verschillende treinen tot we aan de universiteit van Yuji komen. Terwijl we wachten op Ai, een vriendin en klasgenote van Yuji, genieten we nog na van onze pas verslonden nikuman, Chinese gestoomde broodjes met een soort van gehakt-ui-vulling. Met z’n drieën gaan we naar de aula, waar ik kennismaak met Ai’s vriendin, wiens naam ik vergeten ben. We tetteren de ganse tijd en ik spreek ook nog met een meisje dat wat Nederlands spreekt. Ze was ooit op uitwisseling geweest in Nijmegen. Samen met Ai en Yuji nuttig ik het middagmaal in één van de cafetaria’s van de univ: een soort japans varkensstoofpotje. Ik proef ook nog van het domburi-gerecht van Yuji en de kimuchi van Ai. We nemen afscheid en zetten de reis naar Takakuradai verder. Aangerkomen in het station van Suma, bewonder ik de zee. We zouden de bus naar Takakuradai nemen, maar eerst stappen we nog een drankenhandel en de onvermijdelijke ‘konbini’ convenience store binnen. Wanneer ik uitgepakt ben, gaan we winkelen voor het avondmaal: kareraisu, curryrijst. In de supermarkt word ik aangekeken als ben ik een wereldberoemd acteur, een buitenaardse verschijning of een zeldzame toeristische attractie. De vrouw van de plaatselijke slager geeft ons zelfs twee zakjes instant-râmen, al zeggende dat het een gunst is in plaats van twintig Yen terug te krijgen. Yuji vermoedt echter dat het is omdat ze een bedreigde diersoort gezien heeft: een Europeaan in ‘boerengat Takakuradai’. Areeeeeee!

Wanneer Yuji het diner bereidt (en ik de groenten heb gewassen en m’n internetzaken op orde heb gesteld), is de dag bijna om. We eten het bangohan (avondeten) en ik deel m’n cadeaus uit. De familie leek zeer blij, maar dat zijn Japanners altijd als ze iets krijgen. Toch denk ik dat zij ECHT blij waren… Ik hoop het toch. Wist je dat ze in Japan zelfs vragen of ze het pakje mogen openen? “Akete mou ii desu ka?” “Hai, douzo!” Ik ben benieuwd hoe lang de ‘Berugii no chokoreitou’ (pralines) gaan overleven ten huize Hidemura. Na de nodige familie-en-gast-foto’s en de uitgebreide kennismaking, wordt mij de futon gespreid en kan ik voor het eerst sinds enkele dagen op een degelijke en langdurige manier. Oyasumi!


Akashi en Himeji (29 maart 2005)
We zouden die dag al meteen, zo men noemt, een ‘klapper op de vuurpijl’ bezoeken. Himeji-jô ofte het kasteel van de witte reiger. Het prachtige middeleeuwse bouwwerk heeft zijn naam niet gestolen; het rijst met zijn sneeuwwitte muren als een opstijgende reiger krachtig boven de stad uit. Himeji is, geloof ik, het oudste en meest authentieke kasteel uit de Japanse middeleeuwen. Voor we in Himeji aankwamen, brachten we nog een kort bezoekje aan Akashi, een stadje met zijn reuzachtige verbindingsbrug met Awaji-shima, zijn typische vismarkt, zijn Akashi-style takoyaki en zijn vreemde straatkunstenaar die zijn gevoel optekende dat bij hem opkwam wanneer hij naar jou keek: Matrix en Spiderman???

In Himeji bleek dat we nog maar een kleine twee uur de tijd hadden om het kasteel te bezoeken. We haastten ons dus door de shopping mall, langs de enige kebapzaak in Hyôgo-ken, (bijna) tegen de automatisch opengaande deur van een Japanse taxi naar de ingang van het kasteel. Tussen de omwallingsmuren doe ik nog een poging om zo realistisch mogelijk ninja-like één van de steile muren te beklimmen. Na een blitsbezoek aan het houten interieur en het schrijn bovenin de donjon, verlaten we het kasteel. Op de harakiri-plaats kan ik het echter niet laten om een korte demonstratie te geven van het eeuwenoude ritueel, in Japan beter bekend als seppuku, de rituele zelfdoding door zichzelf met een kort zwaard in de buik te snijden. De camera van Yuji registreert dit historisch gebeuren en toevallig registreren de ogen van een bende passerende Duitsers mijn zelfdoding ook. Menig Duitse schaterlach galmde door het binnenplein tegen de witte muren van de kasteeltuin.

Naast het kasteel bezochten we ook de koukoen: een grote Japanse tuin met verschillende stijlen. Und dann, zu Hause. Schlafen…


 

Suma-ku mountainbike-verkenning (30 maart 2005)
Omstreeks 1184 was Suma-ku het toneel voor de historische veldslag van Ichinotani tussen de Genji-clan en de Taira-clan (en Heike-clan). De kronieken van deze veldslag die binnen het grotere geheel van de Gempei-oorlogen past, is onder andere door een hooggeplaatste van de Genji-clan neergeschreven in de Heike-monogatari, het verhaal van de Heike-clan. Uit de vele verhalingen en legendes, laat geef ik er nu drie die relevant zijn in verband met het stadje Suma-ku en de plaatselijke tempel Sumadera.

“… Na de eerste lange dag op het slagveld worden de gewonden verzorgd en de doden geborgen. Taira no Monemori, een lid van de Taira-clan, draaft met zijn paard langs de oevers van de rivier. Op een zeker moment ziet Monemori een boot drijven in de glinsterende stroom, bemand door drie mensen: een stuurman, een oude samurai en een mooie jonge vrouw. Ze dobberen zo vredig op de golven en lijken niet betrokken te zijn geweest in het pas gevoerde gevecht. Monemori is verbaasd een vrouw te zien tijdens de oorlog. Zij houden zich meestal ver van het geweld vandaan. Iedereen die langs de rivier staat, kijkt verwonderd naar het meisje. Ze blijkt een stok met daar bovenop een sensû, een waaier, bij zich te dragen waarmee ze de koelte van de valavond versterkt. Ook Minamoto no Yoshitsune, een lid van de Genji-clan, ontgaat dit gebeuren niet. Gezeten op zijn paard, vermoedt hij dat het schouwspel een provocatie van de vijand is om hem met pijl en boog op de rode bol temidden de sensû te laten schieten. Ook Yoshitsune’s volgelingen waarschuwen hem voor de mogelijke valstrik. In overleg besluiten ze toch in te gaan op de mogelijke provocatie. Na een lange discussie wordt de jongeling Yasa no Unichi geboden zijn boog op de sensû te richten en te schieten. Uit angst voor mislukking reageert hij door te zeggen dat hij dit niet zal kunnen, hij vindt zichzelf te onkundig om deze taak op zich te nemen. Hij heeft schrik dat, als hij zou missen, hij veroordeeld wordt tot het plegen van seppuku, de rituele zelfdoding. Yoshitsune zegt hem dat hij moet schieten, anders zou hij onmiddellijk moeten vertrekken.. De sensû van de vrouw danst heen en weer op het ritme, aangegeven door een krachtige wind die waait over de vlakte tussen de steile bergwand en de uitgestrekte zee. Gespannen van de zenuwen, richt Unichi zijn pijl en boog in de richting van de boot. Met een twijfelachtige blik in zijn ogen laat hij de pees uit zijn vingers schieten. De pijl boort zich een weg door hart van de rode bol op de sensû. Omstaanders feliciteren Unichi om deze sterke prestatie. Ook Yoshitsune bejubelt hem overdadig. Aan de overkant van de rivier laat zelfs Monemori, de vijand, zijn bewondering voor de jongeman weten met een simpel gebaar. Een teken van eer en respect, over de grenzen van het vijandschap heen. Terwijl aan de tegenovergestelde oever van de rivier de krijgers de jonge boogschutter nog steeds blijven bejubelen, draait Taira no Monemori zijn paard en rijdt weg in de richting van zijn kamp. In zijn hoofd dwaalt de gedachte aan waar dat bootje eigenlijk vandaan kwam…”

“… Ichinotani was een verdedigingsbolwerk van de Taira-clan op de kust van Suma. Minamoto Yoshitsune zendde zijn leger over zee naar Suma, terwijl hij zelf een verrassingsaanval via de bergen leidde. Dit was een zeer gevaarlijke operatie omdat het landschap achter Ichinotani uit zeer steile kliffen bestond. Ondanks veel protest van zijn manschappen, besliste Yoshitsune toch om zijn leger te paard langs de kliffen naar beneden te sturen. Het legioen bestormde de Taira-nederzetting langs de weinig bewaakte achterzijde. Het geheel werd genadeloos in brand gestoken. Er werd tevens hard gevochten op het strand, terwijl de leden van de Taira-clan wanhopig met hun boten trachtten te vluchten…”

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.